
Luna wrijft haar kille handen warm. Een nieuw huis, nieuwe school, nieuw land. Niets is meer wat het was, van de een op de andere dag. Plotseling overgeleverd aan vaders droom.
Alsof het niet erger kan, zet de hemel een enorme bak water op de kop. Van aparte druppels is geen sprake meer. Met bevende vingers probeert Luna de drijfnatte haarslierten uit haar ogen te houden.
Haar tranen vermengen met de ijzige regen.
Gisteren, thuis, was het weer nog zo heerlijk. De wereld rook naar vers gemaaid gras. Naar een lentedag in de vroege ochtend. Tot de verhuiswagen met krakend kabaal voor de deur stopte.
Ze had zich omgedraaid, Juul opgepakt en net gedaan alsof het niet bestond. Juul mocht niet mee. Haar kat zou de omgeving zo missen, zei haar vader. Zij mist nu beide.
En daar hangen ze dan, Luna en haar vader. Hij met zijn droom, zij met angst en beven. De wolken zien er wreed uit, donkergroen met paars.
Koude rillingen gaan door Luna’s lichaam als elektriciteit. De tijd lijkt voorbij te sloffen. Eindelijk komt de lift schokkend in beweging. Haar billen schuiven over de glibberige, natte stoelzitting.
Even denkt ze naar beneden te vallen, zó onder de metalen buis door die hard en onverbiddelijk tegen haar maag drukt. Alles lijkt een vrije val.
Ze kijkt naar haar vader.
Triomfantelijk steekt hij zijn duim omhoog.
Luna lacht en huilt. Was Juul maar hier.