Waarom de zee zo zout is (1)

Proloog

Zelf herinner ik me grote bruine ogen, de smaak van de zoute zee in mijn mond en de touwen van het visnet die in de huid van mijn armen en bovenbenen sneden. Dan voel ik ook weer de ruwe handen die mij losmaakten uit het visnet en mij omhoogtilden. 

De man van de ruwe handen zei woorden die ik niet begreep. Door het scherpe zonlicht zag ik alles via de spleetjes van mijn ogen. Binnen in het oude vissershuisje waar hij mij naartoe had gedragen, duurde het een tijdje voor mijn ogen gewend waren aan het donker. Dat is alles wat ik nog weet, het enige wat ik me nog echt duidelijk kan herinneren.

Paco, de oude visser met de grote bruine ogen en de ruwe handen, zegt dat hij mij gevangen heeft in zijn visnet. Dat ik mij aan hem vastklampte toen hij mij naar het oude vissershuisje bracht. Ik was in mijn blootje, maar had de grootste glimlach van de wereld, zegt hij. Hij legde me in de versleten stoel bij het raam en sloeg een deken om mij heen. Omdat ik zo moe was, viel ik meteen in slaap. 

Als Paco dit verhaal vertelt, kijkt hij mij lang aan. Zijn onderlip trilt dan een beetje. ‘Toen wist ik dat we bij elkaar hoorden,’ vertelt Paco bijna iedere avond. Dat ik thuishoorde bij hem op het kleine eiland midden in de knalblauwe oceaan. 

Ik weet dat niet zo goed, hoor ik bij Paco? Ik lijk helemaal niet op hem.

Hij woont al zijn hele leven op het kleine eilandje. Nou ja, bijna alleen. Buiten staat Donna, onze geit.  Binnen ligt Pelusa, onze zwart-witte kat, meestal languit bij de voordeur. En Roef, de hond met haar als een wervelwind, holt blaffend om het huis. Voor hem is alles een spel. En dan is er nog Raskar, de raaf die vanaf de afbrokkelende muur naast ons huisje ons in de gaten houdt. Ons vissershuisje gemaakt van rotsblokken met luiken in de kleur van de zee.

En ik woon hier ook. Alweer best lang. Ik heet Mara, omdat ik uit de zee kom. Paco noemt de zee Mar. 

Ons eiland heeft de vorm van een druppel of een traan. Alsof de zee verdrietig was toen ze haar golven langs onze kustlijn stuurde. Ons huisje met de blauwe luiken staat aan de kant waar de zee wat rustiger is. Paco kan hier makkelijker met zijn vissersboot van het eiland wegvaren. Aan de kant waar de zee ruw is, liggen rotsblokken. Raskar is daar vaak. Al blijft hij steeds vaker in de buurt van ons huisje. ‘Raskar wordt oud,’ zegt Paco.

Hij zegt ook dat ik anders ben. Maar dat zie ik zelf ook. Mijn haar heeft de kleur van de schubben van een vis. Mijn ogen de kleur van de zee. Paco heeft bruine ogen en zijn haar heeft de kleur van verbrand hout. De mensen van het eiland Verderop hebben dezelfde kleur ogen en haar als hem. Mijn huid heeft de kleur van een biggetje. Als Paco dat zegt, moet hij altijd grinniken, hij trekt zijn neus op en doet het geknor van een varkentje na.

Paco leeft van de zee. We eten allemaal van de vis die hij vangt. Wat hij overhoudt, brengt hij naar het eiland Verderop en ruilt dit voor groente, fruit, vlees of kleren. Ik mag niet mee, omdat ik anders ben. Paco is bang dat de mensen van het eiland Verderop mij gaan plagen of wegjagen. Als Paco zijn vis erheen brengt, loop ik zo ver mogelijk als ik kan de zee in. Vaak moet ik huilen en verdwijnen mijn tranen in de zee. Ik zou zo graag meewillen.

Net als ons eiland drijft het eiland Verderop op de golven. Hoever Paco moet varen om zijn vis te ruilen is iedere dag anders. Een tijdje geleden dreef Verderop zo dicht naar ons toe dat ik het dorp kon zien en de mensen die er wonen. Kinderen in het dorp zagen mij ook. Ze schreeuwden naar mij en lachten hard. Want ik ben anders.

Raskar is mijn beste vriend. Hij vertelt verhalen die alleen ik kan horen. Hij vertelt verhalen over drijvende eilanden en over Paco. Of de verhalen altijd waar zijn, weet ik niet. Raskar zegt van wel. Ik vind het fijn als hij verhalen vertelt die niet waar voelen maar meer als een sprookje. Als iets wat waar lijkt.

Het verhaal over waar ikzelf vandaan kom, blijft me trekken naar de zee. Vaak staar ik over de zee en houd me vast aan het touw tussen de palen die Paco in de rotsachtige grond heeft geslagen. Omdat het veilig is, zegt hij. Voor mij voelt het alsof ik niet weg mag van het eiland. Niet naar de zee. Het zoute water, waar Paco mij uit gevist heeft.

Als ik daar sta, hoor ik de golven fluisteren. Misschien weten zij waar ik vandaan kom.