Zijwieltjes

“Hij loopt nog als een kievit, dat wel.”

Mijn moeder duwt het scheefhangende hek open. Het kreunt en piept. Voorzichtig glimlacht mijn vader terwijl hij door de opening stapt. Ademwolkjes ontsnappen uit zijn mond. Hij trekt zijn schouders op tegen de kou.

“Maar hij is zo doof”, fluistert mijn moeder half weggedraaid van mijn vader. De woorden snijden door mij heen. Wat heeft fluisteren voor zin, als hij het toch niet hoort. Ik snap mijn moeder wel. De scherpe woorden vallen alleen nog niet goed. Hij is nog steeds mijn vader, mijn held.

Het wandelpad brokkelt aan de zijkanten af. Een diepe scheur loopt als een litteken door het midden. Het pad heeft de strenge vorst van de afgelopen nachten niet overleefd.

De rug van mijn vader is krom. Zijn magere benen zijn gehuld in een broek die op de groei lijkt te zijn gekocht. Wat kan ik doen aan zijn eenzaamheid? Aan zijn stil isolement? Hoe kan ik zelf omgaan met het gevoel van verlies?

Was hij niet de pappa die met zijn oneindige energie en maffe ideeën op iedere camping waar we stonden het animatieteam compleet overbodig had gemaakt? Ik zie hem nog voor me, enthousiast en onvermoeibaar. Met hem durfde ik van de hoogste glijbaan. Uit volle borst zong hij op verjaardagen en feestjes: Glory, Glory, Hallelujah! En hoe hij voor anderen opkwam, een echte strijder.

Af en toe voel ik nog steeds zijn hand stevig in mijn nek op de blauwe fiets zonder zijwieltjes. Wat is er gebeurd? Het lijkt alsof mijn vader ineens oud is. Hij leek heel lang niet ouder te worden, leeftijdsloos, maar nu ineens. 

Leren fietsen zonder zijwieltjes, dat viel niet mee. Hier op deze dijk was dat. Zelf fietsen van het hek tot de witte boerderij, van hier tot boerderij “An de Diek”. Tong uit de mond, bibberende beentjes en pappa die mij aanmoedigde, en mijn nek greep als het fout ging. Tot aan deze boerderij.

“Pap, weet je nog?” Ik knik naar hem. De harde wind grijpt mijn woorden en blaast ze in de verkeerde richting. Geen reactie. “Dat bedoel ik nou,” mompelt mijn moeder.

Ik kijk opzij, naar de afbladderende witte verf van het vertrouwde gebouw. De verrotte kozijnen vallen meteen op. Het dak ligt er half af. Het bord met “An de Diek” ligt vergeten op het erf. Iets verder op het erf liggen de funderingen klaar voor nieuwe dromen, een nieuw leven. Oud maakt plaats voor nieuw. 

Mijn vader grijnst en steekt zijn duim omhoog. Hij maakt een fietsbeweging met zijn handen naar mij. Hij weet het nog! Warmte verdrijft de kou uit mijn lijf. Ik glimlach terug. En slik.

Wat moet ik zonder hem? Ik val vast om. Nee, ik ben allang geen kind meer. Zonder zijwieltjes lukt nu echt wel. Zonder de hand van mijn vader in mijn nek. Verder fietsen dan “An de Diek”. Zonder vader die nu in een eigen wereld lijkt te leven. Zijn rug die steeds krommer lijkt. 

“Het lijkt wel of hij niet meer verder wil”. Mijn moeders woorden klinken snibbig met een randje verdriet. Ik kijk naar de boerderij zonder wat te zien. De dakpannen rammelen door de snijdende koude wind.

Met een paar stevige passen kom ik naast mijn vader en pak zijn arm. Geschrokken kijkt hij op en knikt opgelucht naar me. Gearmd lopen we door de winterkou.

“We redden het wel, pap!” Hij glimlacht terug zonder te weten wat ik precies zeg. Het maakt niet uit. Samen verder, leunend tegen elkaar, terwijl de wind ons tegenwerkt. Elkaar ondersteunend. Samen langs “An de Diek.”

Elkaars zijwieltjes …

Ontdek meer van Fabella Prent & Boek

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder